jun 05

De man die over een hobbelig grintpad wandelde, overdacht de afgelopen week. Het verschrikkelijke nieuws sloeg zo onverwacht in dat het bij hemzelf eigenlijk nog niet echt goed was doorgedrongen. Irreële realiteit. Komt een man bij de dokter, dacht hij bitter, ja, ja. ‘We doen louter wat routine checks hoor”, had z”n huisarts hem achteloos gezegd, alsof het een APK-keuring betrof. ‘Maar eens even flink uitgebreid door de medische molen, daar wordt geen mens slechter van.” Naïef als hij in deze was, had hem dat een goed plan geleken. Beter wat te veel gecontroleerd dan als een potentiële, tikkende tijdbom het leven trotseren. Na bloedprikken, wat hem een forse blauwe plek opleverde dankzij een stuntelige, piepjonge verpleegkundige, het maken van foto”s die blijkbaar in het medisch jargon als ECG door het leven gingen en het inleveren van een potje urine, wat hij niet zonder enige gêne deed, mocht hij zelf komen opdraven. Hij voelde zich net zo gespannen, als toen hij in een ver, grijs verleden op het telefoontje van de examenuitslag van de middelbare school zat te wachten. Hij had het niet zo op medische instellingen. Zijn vriendin naast hem, was als altijd een baken van rust. Nog wel.

De uitslag bleek erger dan al zijn halfslachtige schoolresultaten die hij in zijn leven had behaald. Zijn vriendin was in alle staten, ten einde raad, verslagen en troosteloos. Hijzelf bleef wonderbaarlijk kalm, alsof het slechte nieuws hem niet betrof, alsof deze jobstijding voor heel iemand anders bedoeld was. Zo jong en dan al afgeschreven, in feite opgegeven. Hij leed aan die ziekte, die je heden ten dage  niet meer bij name in de mond nam. Allerlei eufemismen deden al sinds jaar en dag opgeld. Tenzij je een gemankeerde voetbalsupporter was; dan gebruikte men het als adjectief. De losers, dacht hij. Hij piekerde er nu al een week onophoudelijk op los. Van buiten acteerde hij de rust zelve, maar binnen in hem woedde er een niet aflatende, ongebreidelde storm. Huilen deed hij niet, want ach, wat hielp dat? Z”n directe omgeving reageerde geschokt, niet goed wetend wat te zeggen. Beterschap klonk zo wrang. Sterkte hoor, viel hem vaak ongevraagd ten deel. Ach, een teken van adhesie. Hoe moest het nu verder met zijn vriendin, z”n kind, het huis, de hypotheek, de tuin, de hond?  Hoe verder te leven met het einde zo nabij? Althans, dat was wel zo”n beetje de prognose van de heren en dame medici.

De dodelijk zieke man liep met een waas voor zijn ogen langs de rivier, waar hij zijn hele leven al kwam. Hij liet er altijd zijn hond uit. Hij trachtte hier eens het surfen te leren, maar dat werd een heus debacle.  Hier kuste hij z”n eerste vriendinnetje uit de brugklas. Eerst decent, later decadent, toen het niet alleen bij zoenen bleef. Ondanks alles grinnikte hij even, toen hij aan haar terugdacht. Wulpse Nel, nooit meer wat van vernomen. Zij vond hem preuts; de omgekeerde wereld. Hij belandde met een schok in de tegenwoordige tijd en zag zichzelf staan op een bruine steiger tussen het riet. Het was herfstachtig, koud, guur en nat, dus was het hier uitgestorven. Er heerste een serene rust. Hij voelde zich fysiek niet ziek, maar was mentaal zo aangeslagen dat hij zichzelf maar een zwakke slappeling vond. Zijn tijd was geweest. Niet iedereen wordt tachtig, wees  tevreden met de helft. Een precieze tijdsaanduiding kreeg hij niet, een veeg teken.

Werken deed hij niet. Ze hadden begripvol gereageerd op kantoor. Hij moest zelf maar zien wat hij prettig vond. Nou, dat was niet de laatste tijd van je leven werkzaam op een doods kantoor zitten. Hij huiverde even. Was het van de kou, of van de emoties? Hij stak een sigaretje op. De dag na die fatale uitslag was hij maar weer begonnen na zo”n lange tijd van onthouding. Dat maakte nu toch niet meer uit. Zijn longen waren puik in orde. Er was helaas een ander vitaal orgaan aangetast. Hij wilde er niet aan denken. Een eenzame jogster met oortjes in kwam voorbij. Dapper hoor, in deze kou. Mooie meid, trouwens. Onmiddellijk schoten zijn gedachten naar Liz, al ruim vijftien jaar zijn vriendin en de moeder van hun kind. Zou zij het wel redden. Als hij aan haar dacht en in één adem aan hun zoontje Jochem van tien, dan werd het hem ongerust te moede. Dan verloor hij z”n zelfbeheersing. Dan vocht hij tegen zijn tranen. Hij zuchtte diep en piekte zijn peuk de rivier in. Lekker, roken, hij had nooit moeten stoppen. Hij wreef in z”n ogen die traanden van de gure wind, maakte hij zichzelf wijs. Sterk spul hè. De reclameslogan flitste door z”n geest. Hij glimlachte, tegen wil en dank. Hij stapte de oude, houten steiger af en slenterde het grintpaadje op, richting huis. Opschieten, want anders werd Liz ongerust.

De artsen hadden hem verteld, hoe het zou aflopen. De termijn was niet erg duidelijk, maar het verloop wel. Daar werd een mens niet blij van, zelfs de altijd zo opgewekte, optimistische  Liz was in snikken uitgebarsten. Hij troostte haar: de omgekeerde wereld. Behandelen, opereren, medicijnen, kuren. Het werd allemaal achterwege gelaten. Het was te laat, onmogelijk en medisch niet relevant. Valse hoop werd door hen niet gegeven, dat moet gezegd. Een rauw, onprettig ziekbed was zijn voorland. Vroeger of later zou hij aan bed gekluisterd raken, volkomen hulpeloos en machteloos. Pijn hoefde hij niet te lijden. Een schrale troost. Hij liep de dijk af, richting de straat die naar hun eigenhandig opgeknapte, mooi verbouwde huisje leidde. Hij wilde niet afhankelijk zijn, doodziek worden, zich ontluisterd voelen, zijn leven uit handen geven om louter en alleen te wachten op zijn einde. Hij was eigenlijk bang, doodsbang. Hij voelde zich zo moe, uitgeput eigenlijk. Ziek voelde hij zich wonderlijk genoeg niet. Geen van de verwachte symptomen hadden zich reeds geopenbaard.

Hij hield z”n pas een beetje in. Het was wat harder gaan miezeren. Hij begon wel erg nat te worden. Liz zou wel zeggen, dat hij er zo om vroeg verkouden te worden. Lekker belangrijk, ging hij toch verkouden dood. Hij zag een glimp van Jochem in de huiskamer zitten, bezig achter de computer. Huiswerk of een spelletje? Hij vreesde het laatste. Een brok kwam in zijn keel. Hij zou hem niet zien opgroeien. Hij zou zijn eerste vriendinnetje nooit zien. Stop met zulke dingen denken, zei hij in gedachten tegen zichzelf. Stop met jezelf te bedelven onder valse sentimenten. Hij was niet zielig, zo hield hij zich steeds maar voor. Er gebeurde zoveel ellende op de wereld, je moest eens weten. Hij had gewoon pech, domme pech. Het had net zo goed de buurman kunnen overkomen. Liz verscheen voor de erker. Hij zag dat ze recent gehuild had. Ze glimlachte, lief, tegen wil en dank. Het werd hem nu toch even teveel. Snel liep hij langs de woning richting de achterdeur. Ondertussen droogde hij z”n ogen en wangen, vastbesloten zijn vochtige gelaat aan het slechte weer te wijten. Geen tranen van Thom. Bij de achterdeur stond zoals altijd zijn Liz. Het hield op met zachtjes regenen, de hemel huilde mee.

©Simon Trommel

Juni 2008

 

 

Reageer hierop