feb 04

Tol der onwelvoeglijke taal.

Woorden, kwetsend zo schrijnend

treffen wreed ’t weerloos doel.

Ontdaan van elk greintje medegevoel.

 

Staccato reeks van kille woorden

kan een taalarme zomaar vermoorden.

Hoe fraai esthetisch ook verpakt;

uiterlijke schijn, vol vals, vilein, venijn.

 

Mag een schrijver alles zeggen?

Is zijn vrijheid schier onbeperkt?

Zijn er grenzen aan ‘t woord te leggen?

Of moet grenzeloosheid juist versterkt?

 

De schrijver schrijft, de lezer leest.

Elk met persoonlijk tafereel voor ogen:

subjectief, geestrijk, inbeeldingsvermogen.

Voor  rigide grensbewaking onbevreesd.

 

Meningsvrijheid zonder enig sarcasme.

’t Vrije woord is geenszins pleonasme.

Men schrijve grenzeloos, toe verras me:

ontsteek Lectori Salutem in enthousiasme.

 

 

 

Nota: In het kader van de gedichtendag van 28 januari jongstleden geschreven voor het thema “Dicht over de grens”.

 

 

 

 

 

Reageer hierop