dec 12

Na ruim vier decennia moest hij zijn biezen pakken. Hij was er klaar mee. Hoeveel kinderen had hij voor zijn neus gehad? Hoe vaak had hij de schone regelgeving van de werkwoordspelling uit de doeken gedaan?  Hoeveel staartdelingen kalkte hij met wit krijt op het ouderwetse, zwarte schoolbord. Hij kwam altijd ‘s middags thuis gehuld in een witte nevel van verpulverd krijt.

Toch had hij het de laatste jaren vaak moeilijk gehad. Niet met de leerlingen, integendeel. De jeugd van tegenwoordig scheelde echt niet zo veel met de jongeren van weleer. Spontane, jonge mensen, die allemaal wel eens een vermaning, een duwtje in de goede richting of een bestraffend woord nodig hadden. Hij hield echter nog altijd van hun spontaneïteit.

Nee, hij had het een stuk moeilijker met de ouders. Het leek er wel op, dat zij de lat steeds hoger legden voor hun kroost. Waar was die gezonde, Calvinistische realiteitszin gebleven? Wat een immense druk zetten zij soms op de scholen en het onderwijzend personeel. Hij, als oude, wijze man, lachte er om. Anderen lagen ervan wakker. Letterlijk soms.

Veel moeilijker ook  had hij het met de onderwijskundige beleidsmakers bij de overheid. Zij hadden het onderwijs door de tijd zogenaamd vernieuwd;  in veel gevallen gewoonweg vernield. Hun onzalige gedachtegoed over de zogeheten maakbaarheid van de samenleving, het opwaarderen van elk kind en de positieve beïnvloedbaarheid van de niveaus had geleid tot een groteske inflatie van de diploma’s.

Nog moeilijker had hij het met de managers, die klakkeloos achter de beleidsmakers aandraafden. Zij hadden vooral hun eigen verheven posities goed in het vizier. Om deze te behouden, zouden zij alles implementeren wat de pedagogen op de studiecentra hen voorschotelden. Het zou wel goed zijn, dat nieuwe leren. Ze hadden er toch voor gestudeerd. Waren die managers niet ooit gewoon collega’s?

De oude meester overdacht hoe triest het gesteld was met de onderwijsbranche in het geheel beschouwd. Wanneer haalt de wal het schip in, vroeg hij zich wel eens vertwijfeld af. Toch had hij zich tot de laatste snik van zijn werkzame leven vastgehouden aan de individuele leerling. Elk kind dat hij iets meegaf, cognitief of anderszins, was er een. Zijn dagelijkse houvast. Zijn adagium.

Hij hoopte maar, dat er meer collega’s waren als hij. Mensen, die net als hij, het systeem vaak verfoeiend, trachten op het eigen microniveau kinderen wat wijzer te maken. Die elke dag weer praktiseren, dat iets leren geen achterhaald concept was. Hij hoopte, dat er vele lotgenoten waren die zich door hogerhand niet zomaar iets wijs lieten maken.

Een van de laatste leerlingen die hij sprak, was een jongetje van elf dat zei, dat hij later ook meester wilde worden. Op zijn oprecht verbaasde vraag waarom dan wel, antwoordde het jochie, dat het hem zo cool leek om anderen echt wat te leren.

Bij deze herinnering  glimlachte de oude meester even. Deze jongeman had het wel begrepen.

© Simon Trommel

6 reacties op “De oude meester”

  1. Henk:

    En zo leert de oude meester de minister en haar lakeien een lesje.

  2. Anneke Klop:

    Gelukkig zijn er nog veel “oude meesters” in onderwijsland.

  3. Sandra de Koning - vd Pol:

    Mooi stukje tekst vastgelegd,
    waren er maar meer meesters zoals jij…
    Dat oud staat nog ter discussie lijkt me
    want volgens mij valt dat reuze mee ;-))

  4. jelou:

    Nog mooi en zacht verwoord Simon 😉
    Ikzelf vraag me steeds meer af wat er van het onderwijs moet worden.
    Ik zie er zowel kinderen als docenten soms in verzanden.
    Dan mag ik mij gelukkig prijzen dat ik nog het oude onderwijssysteem heb gehad.
    Echt waar.
    Maar je hebt gelijk: elk kind wat je maar iéts kunt bijbrengen is er eentje 😉

  5. Anita:

    Geweldig stuk Simon. Ben het met je eens. Wij worden wel als ouderwets bestempeld denk ik.Haha.

  6. Rogier Kuijpers:

    Weer prachtig geschreven Simon.
    En wat de huidige ministers ook mogen zeggen.
    Het “ouderwetse” klassikale onderwijs had gewoon zijn voordelen.

Reageer hierop